Verliefd op voetbal

‘Mam? Mam?’ ‘Ja?’ ‘Mag ik vanavond opblijven?’… Ik was pas net acht jaar oud. Het was een zwoele voorzomerdag in mei 2002. Ik ging vaak op tijd naar bed, en als ik al mocht opblijven, was het sowieso geen elf uur. Dat had ik ook niet eens aangekund. Ik was altijd buiten, en ’s avonds na pak ‘m beet, Klokhuis, was ik doodmoe. Als om kwart over drie ‘s middags ein-de-lijk die rotbel ging, stonden we een kwartier later al met de bal onder de arm op het zogenoemde ‘garagepleintje’. Dat heeft ons de nodige ruzie met omwonenden opgeleverd: van kapotte regenpijpen tot aan vernielde ramen. Aan de andere kant heb ik nog steeds profijt van de daar opgedane tweebenigheid. Ik was altijd nét iets minder goed dan mijn buurjongen. Ik zat ook pas veel later op voetbal, want ik kon niet bepalen in welke sport ik me kon onderscheiden. Vanwege mijn lengte was ik volgens de buurkinderen een ideale tennisser. Toch was het die iets grotere bal, die mij altijd in zijn greep hield. Mijn vader was voetballer, en ik had al van jongs af aan een Feyenoord-shirt. Uiteraard, gekregen van mijn opa. Feyenoord en voetbal, daar interesseerde ik me voor. Tot deze zwoele voorzomerdag in mei 2002. Toen werd het meer dan interesse. Een keer niet op tijd naar bed, een keer stokjes tussen de oogleden…

Kwart voor negen. Languit op het bed van m’n ouders. De imposante Kuip op TV, met die overweldigende sfeer. Ik was nog nooit in de Kuip geweest. Ik volgde voornamelijk de cijfertjes en de samenvattingen. Bosvelt als stofzuiger, Van Hooijdonk als God, Van Persie als iemand die nog wel eens een grote kon worden (en zo geschiedde)… Ik voelde het allang. Die UEFA-cup is voor ons. Toch was Dortmund een verraderlijke ploeg. Rosicky was een fenomeen op ‘10’, Koller een boomlange, kale spits die álles binnenkopte. Maar goed, wie zijn Rosicky en Koller als je Pierre hebt?

De Kuip stond op en schreeuwde het uit. Tomasson jaagde door op Kohler, zoals alleen hij dat kon. Kohler herstelde zich te laat en haalde Jon neer in de zestien. Pingel. Rood. Pi-Air eiste zoals altijd de bal op. Dat beeld zal nooit meer uit mijn hart worden gewist. De hele Kuip deed op geheel authentieke wijze de handen in de lucht onder de leus: ‘Put your hands up for Pi-Air; put your hands up for Pi-Air’. Onberispelijk was-ie, de pingel. Ik laakte een piepkreet, en kreeg een vlaag van kippenvel over me heen. Was mijn hart altijd rood-wit gekleurd, werd hij acht minuten later definitief rood-wit getatoeëerd door Van Hooijdonk. Zoals hij het héél het seizoen al deed, deed hij het nu op het belangrijkste moment van zijn voetbalcarrière. Wederom die authentieke leus voor Pierre, wederom die bijzondere aanloop van Pierre. En wederom een goal. Met een geweldige trap van een meter of 25 liet hij Lehmann volledig kansloos en was de wedstrijd al min of meer gespeeld. Het was nog even billenknijpen, maar Van Hooijdonk hield hoogstpersoonlijk het eremetaal in Rotterdam en liet een grote indruk achter op de voetbalwereld. Maar vooral op mij. Normaal gesproken bleef ik nooit zo lang op, maar zelfs het feest na de overwinning wilde ik zien. Toen ik uiteindelijk in bed belandde, vielen m’n ogen nog steeds niet dicht. Kippenvel op de armen, verliefd op de sport.

Tim Reedijk, Sportverslaggeving & Interviewen, persoonlijk stuk over sportliefde (Minor Sportjournalistiek, jaar 3).

Advertenties